Met de trein

‘Hebben jullie er zin in?’, vraagt Edith aan haar dochters Petra en Lieke. ‘Ja!’, roepen ze in koor. ‘Eerst ontbijten en dan gaan we met de trein naar Amsterdam’, lacht vader Herman terwijl hij blindengeleidehond Puf aait. ‘Ik ben benieuwd hoe de treinreis verloopt,’ zegt Edith. Herman knikt. ‘Ik ook. De treinen en veel stations schijnen wel aangepast te zijn voor rolstoelgebruikers en visueel beperkten.’ ‘Dat is heel mooi’, antwoordt Edith. ‘Het zou helemaal geweldig zijn als conducteurs in de trein een oproep doen aan passagiers om hun plaats te geven aan mensen met een beperking. De laatste keer dat je met de trein ging, moest je staan.’ ‘Ja, dat was wel spannend. Gelukkig had ik Puf bij me’, vertelt Herman. ‘Niet alle beperkingen zijn trouwens zichtbaar, dus dat maakt het wel lastiger.’ ‘Gween zworgen’, zegt Petra onverstaanbaar. Snel slikt ze haar brood door. ‘Geen zorgen. We hebben elkaar. Samen komen we er zeker wel.‘ Edith beaamt dit: ‘Dat is zo, lieverd.’ ‘Gaan we dan nu?’, vraagt Lieke terwijl ze haar laatste stukje brood in haar mond propt. ‘Ik heb mijn brood al láng op hoor.’ Edith en Herman lachen om het enthousiasme van hun jongste dochter.